Mensen die de merkwaardige gewoonte hebben deze columns te lezen weten wel dat ik een soort haat-liefdeverhouding heb met onderzoek. Niet dat ik tegen onderzoek ben, integendeel. Ik hecht waarde aan verklaren van dingen die je misschien wel ziet, maar niet snapt. Maar naast veel onnozel onderzoek is er ook onderzoek dat met verve wordt gepubliceerd, maar waar bij nauwkeurig lezen de opbrengst erg mager is. Zo heb ik ook enige twijfel nu ik lees over een onderzoek waaruit onder andere zou blijken dat er een positieve relatie is tussen hoofdomvang en intelligentie. Laten we het maar plat formuleren: is een dikkop meestal een domkop?

Eerst even dit: ik heb het onderzoeksrapport niet opgevraagd. Dat zal ik natuurlijk wel doen zodra de New York Times mij vraagt of ik voor hen columns wil gaan schrijven. Ik ga nu af op een krantenartikel, en ik weet niet of de schrijfster ervan een dik hoofd heeft. Mogelijk heeft ze zelfs een formidabele prestatie geleverd door over iets wat heel vaag is toch heel helder te schrijven. Maar ik weet toevallig wel iets van schedels af. Ooit bezocht ik een gespecialiseerde pettenwinkel in Zwolle (die helaas niet meer bestaat). De expert achter de toonbank begon direct mijn schedel te meten. Hij zag onmiddellijk dat ik een Angelsaksische schedel had, ter onderscheiding van bijvoorbeeld een Germaanse of Frankische schedel. Als u verder leest zult u begrijpen waarom ik extra blij ben met mijn schedel. Maar dit terzijde, want ik wil de kop d’r bij houden.

Wat was nou de kern van het onderzoek? Welke resultaten leverde het op? De beschrijving is nogal indirect. Het gaat erom dat de ziekte van Alzheimer, hoofdomtrek en rookgedrag samenhang blijken te vertonen met genetische aanleg voor intelligentie. Er worden erg veel woorden gebruikt om alleen al de serieuze status van het onderzoek aan te tonen: ‘internationaal onderzoek’, ‘de doorbraak is vooral te danken aan de grootte van de onderzoeksgroep’, ‘een dataset met de DNA-genotypes en intelligentiescores van 78.308 mensen’. Maar tegenover deze forse woorden staan uitspraken en conclusies als: ‘we moeten oorzaak-gevolg nog onderzoeken’, het verraste ons dat we überhaupt iets gevonden hebben’, e.d. Wat zijn dan de harde bewijzen?

Natuurlijk zijn de officiële omschrijvingen veel genuanceerder dan ik dat nu doe. Je moet de relatie tussen lichaamsomvang en intelligentie in termen van het onderzoek goed lezen. Er staat ‘iemand met een genetische aanleg voor overgewicht heeft in het algemeen genetisch gezien een kleinere kans op een hoog intelligentiequotiënt’. Daar zit dus ruimte in. Gelukkig, want neem nou de beroemde schrijver Lev Tolstoi. Het Russische woord ‘tolstoj’ betekent ‘dikke’. Op de internetfoto’s heeft Tolstoi een royaal hoofd, maar niet een echte dikke kop. Hij was van hoge adel, las op jonge leeftijd al Frans, Duits en Engels, en ging met 16 jaar naar de universiteit. Hij werd wereldwijd bekend met zijn boeken Oorlog en vrede en Anna Karenina. Dit als geruststelling - hoop ik - voor elke lezer met een flink hoofd.

Toch ben ik wel voorzichtig  met mijn conclusies. Zo was een positief verband tussen (bijvoorbeeld)  autisme en intelligentie al eerder vastgesteld. Intelligentie is voor een groot deel erfelijk bepaald, hoewel ook omgevingfactoren een belangrijke rol spelen. Nog iets aardigs daarover. Frank Westerman heeft (in een artikel uit 2004) stilgestaan bij de vraag ‘Wat is een Drent?’ Hij geeft daar als een karaktertrek van de Drentenaren aan dat ze een zandmentaliteit hebben, een zanderig denken, waaronder veel Drenten gebukt gaan. In een oude publicatie over het Drentse volkskarakter (1946)  wordt vermeld dat een Drent op de kleigrond veel besluitvaardiger is dan een Drent op de zandgrond. Westerman geeft met andere invalshoeken aan dat het ogenschijnlijk bizarre verschil tussen de zand- en veenboeren echt bestaat. Zijn verklaring heeft te maken met historie: de houding en gesteldheid waarin men vroeger het land bewerkte, en later ‘vergat’ die houding en instelling af te leggen toen de omstandigheden (kunstmest, toerisme) anders werden. Ik vond dit uitstapje te fascinerend om er niet even aan vast te plakken.

Blijft intrigerend de vraag of ook wij om ons heen mensen zien die mogelijk minder intelligent zijn als gevolg van (bijvoorbeeld) overgewicht of rookgedrag. Roken is extreem onverstandig, gewoon vreselijk dom het te doen. Toch kan ook bijvoorbeeld een hoogbegaafde best domme dingen doen. Intelligentie is een van de meest onderzochte eigenschappen van de mens. Onderzoek kan daar nuttig inzicht in brengen, bijvoorbeeld voor het onderwijs. Of om degene die je iets verkoopt beter te begrijpen, toleranter te worden bij die ene politicus, die rondborstige bakker, enz. Nog even voor de vrouwelijke lezers: de omtrek van onze taille hangt volgens het onderzoek negatief samen met intelligentie. Oftewel: een slanke den kan best een dom blondje zijn. Genoeg hierover. Ik blijf tevreden met mijn Angelsaksische schedel. Het onderzoek zegt daar niets over, en dat laat ik graag zo.

Ton van Leijen ()