Tevredenheid en geluk, twee begrippen die eenzelfde sfeer oproepen. Toch zullen veel mensen het verschil ertussen aanvoelen. Je kunt tevreden zijn na een heerlijke maaltijd of als je lekker in het zonnetje zit. Bij geluk denk je toch aan iets diepers, iets dat duurzamer is dan de tevredenheid op een moment. Het woordenboek geeft woorden als “een aangename toestand waarin je je aardse wensen en verlangens bevredigd ziet”. Je verheugt je over de zegeningen die je ten deel zijn gevallen. Geluk: hangt het er maar net vanaf waar je wiegje heeft gestaan? Dat is wel een zware factor. Maar je kunt  ook heel anders over tevredenheid en geluk gaan denken als je je bestaan vergelijkt met dat van anderen, dichtbij, of heel ver weg.

Zo kwam ik op deze  mijmeringen na het lezen van een reisverslag over de open vlaktes in Mongolië. Een enorm land, ingeklemd tussen Siberië en China. Het heeft 2,5 miljoen inwoners. Hoofdgodsdienst is het Tibetaans boeddhisme. De meeste bewoners zijn nomaden. Ze leven in vilten tenten met een houten frame, en houden schapen, geiten, jaks, kamelen, runderen en paarden. Er zijn in het buitengebied geen verharde wegen. Ver van ons bed, letterlijk en figuurlijk. Over het algemeen beschikt men daar niet over electriciteit en auto’s. Het land heeft een alfabethiseringsgraad van bijna 90 procent. De inwoners zijn goed geïnformeerd, maar buiten de steden is hun manier van leven nog grotendeels hetzelfde als duizend jaar geleden. Het heeft een democratische regeringsvorm; eenvijfde van de bewoners leeft onder de armoedegrens.

Het nomadenleven staat wel onder druk, maar er komen regeringsprogramma’s om hen van moderne zaken (zoals energie) te voorzien. En de samenleving laat het communistische verleden steeds verder achter zich. Andrew Solomon, de Amerikaanse verslaggever *) geeft aan hoe gastvrij de mensen in het buitengebied waren. Privébezit is er nauwelijks, je mag overal reizen en je tenten opslaan waar je dat wilt. Een herder vertelde de schrijver ‘Als ik met mijn kamp en bezit verder trek, dan geeft me dat een geweldig gevoel van onbeperkte mogelijkheden en van vrijheid. Ik kan overal heen met mijn kudde.’ Toen stelde hij Solomon de vraag ‘Is Amerika ook een vrij land? ‘ Solomon begon over de Amerikaanse droom, waarin succes, groot en rijk worden door hard werken een centrale rol spelen. Met als keerzijde: wie arm of niet succesvol is heeft dat aan zichzelf te danken.   

Dat bracht de herder tot de tegenvraag waarom een zoon anders zou willen leven dan de vader. De herder stuurt zijn kinderen wel naar school, en als ze daarna politicus of zakenman willen worden dan is dat hun zaak. Hijzelf had er na zijn schooltijd voor gekozen herder te worden. En hij hoopte dat ook zijn kinderen dat beroep zouden kiezen, want ‘ik kan me geen beter leven voorstellen’. Deze gesprekken brengen de schrijver tot de afweging dat niet (b.v.) kapitalisme of communisme, maar juist het nomadenleven een manier van leven is die het dichtst in de buurt komt van de door de mens meest gewenste vrijheid en ‘vreugdevolle anarchie’.

Solomon vindt dat in de steden, zoals de hoofdstad Ulaanbataar (of: Ulan Bator), met eeuwenoude bezienswaardigheden het eigenlijke Mongolië niet gevonden wordt. Dat vind je buiten de hoofdstad, in het onbedorven landschap en zijn eeuwenoude cultuur. Mongoliërs lijken heel tevreden met hun plaats in de wereld, en vinden het heerlijk als je hun gezelschap komt houden. In Mongolië - zo sluit hij af - voel je niet alleen de geschiedenis maar ook de eeuwigheid. Als het om geluk gaat lijkt me dat een uitspraak ‘om op te kauwen’.  De les van de Mongoolse herder zou kunnen zijn dat oog voor ons eigen bestaan, tevredenheid met onze situatie ons geluk bepaalt. Niet in wat we niet, maar in wat we wel hebben. In zaken als vrijheid, vrede ligt immers de basis voor ons echte geluk.

 Ton van Leijenet