De gele hesjesbeweging is op zijn retour, zo wordt geconcludeerd. De mensen zijn al dat protest en ongemak zo langzamerhand zat, en dat lijkt me een gezonde correctie. Het begon op het platteland van Frankrijk en verbreidde zich naar de steden. De groter wordende kloof tussen arm en rijk, tussen de ‘elite’ en het ‘gewone volk’ speelde een grote rol. Het plan van de Franse regering de benzineprijs te verhogen werd daar de bekende druppel. Het protest verbreedde zich en werd agressiever. En iedereen die waartegen dan ook maar bezwaar had mengde zich in de hesjesopstand. De fabrikanten van de hesjes floreerden.

Gelukkig keert de wal het schip naar het lijkt. Maar daarmee is het dieper liggende probleem nog niet opgelost. De Vlaamse historicus David van Reybrouck wijst op het verschil tussen “duister populisme” en “verplicht populisme”. Het eerste is ondemocratisch, fout, ondermijnend, en destabiliseert de samenleving. Het tweede is noodzakelijk om vergeten of genegeerde belangen op de politieke agenda te krijgen. Dat lijkt me belangrijk. Verzet uit de samenleving kan soms noodzakelijk en heilzaam zijn; de ontwikkelingen rond het kinderpardon, weerstand tegen waanzinnige bonussen, enz. hebben dat laten zien.

Wat blijft is de noodzaak dat de overheid (dan wel de ‘bestuurlijk of politieke elite’) niet in de eigen bubbel blijft steken, maar zijn voelhorens diep in de samenleving houdt. Ze moet weten wat er leeft en dat betrekken in beleid en regels. Zeker als de ruimte tussen overheid en individu leger wordt doordat allerlei samenlevingsverbanden verdwijnen komt het aan op een overheid die integer is, luistert, en zorgvuldig afweegt. Zo bevorder je dat burgers vertrouwen in je houden, en dat de mensen die jou kozen zien dat je doet wat je beloofde. Het beeld van volksvertegenwoordigers wordt soms vertroebeld, zoals in het trieste dieptepunt in de botsing tussen De Graaf (PVV) en Ozturk (Denk). Politici dienen niet alleen goed hun werk te doen, maar ook fatsoenlijk met elkaar om te gaan.

Deze dagen is er opnieuw aandacht voor het fenomeen van de gekozen volksvertegenwoordigers die er met de pet naar gooien. Zij vormen een belediging voor degenen die op hen stemden. Omdat ze bijvoorbeeld niet of nauwelijks vergaderingen bijwonen ( de zogenoemde ‘spookraadsleden’), of weinig tot niets presteren. Goed dat er een voorstel onderweg is om dat tegen te gaan. Meestal gaat het om raadsleden die uit hun partij zijn gezet of er zelf uitstappen, maar wel hun zetel vasthouden. Dat is beroerd voor de kiezer en ook voor de eigen fractie. Maar het raakt het imago van de hele politiek: ook de integere raadsleden (gelukkig het overgrote deel) lijden eronder.

Partijen moeten dus bij de werving van kandidaten zorgen voor mensen die commitment hebben met zowel de partij als het programma, met waarvoor de partij staat, en wat men concreet samen wil bereiken. Het is te vaag om met smalle issues te werken zoals vaak bij belangenpartijen gebeurt. ‘Lastenverlaging voor de burger’ of ‘minder regels’ klinkt aardig, maar belangrijk is zeker ook een visie op (grenzen van) verantwoordelijkheden van burger en overheid vice versa. Een gekozene zit niet in een fractie voor zijn of haar ‘eigen ding’. Om maar te zwijgen over het verwerpelijke motief van een leuk en redelijk betaald bijbaantje. Deze laatste verdenking komt nogal eens op als je leest met welke motivatie mensen voor zichzelf beginnen als ze eenmaal in de raad zitten.

We hebben in ons land goede en zorgvuldige regelingen voor partijvorming, en voor hoe burgers de mensen kunnen kiezen waarin ze vertrouwen hebben. Partijen hebben de dure plicht om kritisch te kijken naar de kwaliteiten van hun kandidaten. Ze moeten er ook op letten of er sprake is van een zuivere motivatie, de wil tot samenbindend te werken, en de bereidheid zich echt in te spannen. Laten we hopen op volksvertegenwoordigers van dat kaliber.

Ton van Leijen (avanleijen@lijbrandt.nl)