Het kon weer even: naar buiten, genieten van het mooie weer. Dat deden we dan ook meteen, mijn vrouw en ik sprongen (nou ja, sprongen) in de auto en reisden af. Een krantenrecensie over een mooie expositie lokte ons naar het noorden. Heerlijk dat Drentse landschap, de afwisseling van weiden, struiken, heide, bossen met het stralende blauw erboven, alles wekte verlangen naar lente en zomer en stemde ons vrolijk. Een hunebed was niet eens nodig.

We wilden vooraf nog even wat eten, en belandden in een esdorpje. We kozen een eetgelegenheid pal tegenover de es, doorsneden door de dorpsweg waarop spaarzame dorpelingen elkaar per fiets passeerden en groetten. Tussen weg en ons gezellige terras stonden leilinden, links van de ingang zo’n 6 tafeltjes, rechts hetzelfde aantal. We namen plaats vlak naast de deur die verwelkomend openstond. Ah…heerlijk. Behalve wij zaten er een ons vriendelijk toeknikkende man en vrouw, mogelijk moeder en zoon. Hij vertelde haar geanimeerd over allerlei contacten met mensen die hij had, die zo te horen vrijwel steeds aangekleed werden met etentjes. Maar ik kon geen moment opmaken of hij nou uit de kunstwereld kwam, het zakenleven, of misschien gewoon een burnout had.

Amper gezeten kwam er een stevige vrouw naar buiten; ze zei iets onverstaanbaars wat  vermoedelijk bedoeld werd als ‘wat mag het wezen’. Dat wisten we nog niet, dus vroeg ik schuchter om de lunchkaart. ‘Die staat daar’ was haar reactie, met een hoofdbeweging naar het genabuurde tafeltje. Inderdaad, dat was zo, dus stond ik op en pakte hem. Wat we dan wilden drinken. Misschien was ze binnen wel een ruzietje ontlopen en had nu ‘de kop verkeerd’; dus flitste door mijn hoofd ‘de-escaleren Ton’. Vriendelijk vroeg ik haar of we misschien op het vereerde moment waren gekomen. ‘Nee hoor’ was het antwoord; en ze keek me aan of ik misschien mijn verstand had verloren, wat soms een goede afweging is. Mijn vrouw, niet gauw bang, zei ‘we kijken eerst even op de kaart’. De vrouw verdween. We keken elkaar aan; blijven we hier? Maar het was een heerlijk plekje, met zon, lieflijke dorpse rust, en een aantrekkelijke lunchkaart.

Toen ik naar binnen ging om het toilet te zoeken waagde ik het nog even een gesprekje met haar aan te knopen. Natuurlijk eerst wat fantasieloze, maar niettemin op waarheid berustende zinnetjes als ‘wat een dag he?’ Dat vond zij ook wel. Het geluk kwam me te hulp, want ik zag ineens boven de piano een prachtige pentekening - het kon ook een artistiek bewerkte foto zijn – van de bekende zanger van Cuby and the Blizzards. ‘Harry Muskee’ klonk het vanachter de tapkast. ‘Aha! Is dit soms zijn stamcafé?’ Dom dom, want ze vervolgde ‘hij is al jaren dood’. Dat wist ik niet meer, maar ik knikte alsof ik het me toen alsnog herinnerde. ‘Hij kwam hier wel eens, maar hij woonde in Grolloo. Mijn zus is nogal gek van hem’, vulde ze aan.

Ze bracht ons wat we hadden besteld, en wenste ons zowaar een smakelijk eten. Onze relatie leek wat ontdooid. Of waren we te snel geweest met ons oordeel over de persoon, de invloed van de volksaard bij haar manier van communiceren? Toen ze het pand weer binnenging kwam er gelijktijdig een andere vrouw naar buiten, die ons groette en aan het eind van het terras een sigaret ging zitten roken. Het kon niet missen: dit moest wel een zus zijn van ‘onze’ vrouw. Ach natuurlijk, dan was dit degene die ons eten had klaargemaakt, en dan dus de zus van haar die de bediening deed. Het waldkornbrood met gerookte zalm, de uitsmijter ham en wat er zoal bij hoorde was zoals het hoort te zijn: vers, knapperig, vreselijk lekker.

Bij het afrekenen vond ik onze relatie inmiddels duidelijk vooruit gegaan; nog wel niet zoals die tussen Trump en Kim Jong-un, gelukkig niet, maar het gesprek was gezelliger, het ijs leek helemaal te zijn gebroken. Toen we naar de auto liepen zei mijn vrouw ‘Toch goed dat we zijn blijven zitten’.     

Ton van Leijen (avanleijen@lijbrandt.nl)