DSC 0007bloem

Ja, dan zijn we toch weer Nederlander genoeg om van ons trotste nationale product zelf even te proeven. Ik heb het over de bollenvelden. Dus besloten we kort geleden om een route in Oostelijk Flevoland te rijden. Bij Elburg over de brug rechtdoor de polder in, bij de Oude Bosweg rechtsaf. In het begin viel het nogal tegen, we zagen dat er ook al het nodige  geoogst was. Maar na enige tijd kleurde de horizon bont van de vele tulpen. Droog weer, zon aan de hemel, heerlijke dag om te toeren. Naast tulpen was er nog iets te zien.

Zoals scholieren die tulpen staan te toppen, sommigen niet goed voorbereid op de brandende zon die hun onbeschermde hoofden geselt. Vanaf de dijk bij Ketelhaven zie je het goed: eindeloze stroken rood, geel, roze, wit, paars, bijna-zwart. Maar als je dan afdaalt en het smalle pad betreedt valt het niet altijd mee om er bij te komen. Heel vaak worden de akkers langs de binnenwegen omgeven door windsingels, struweel, sloten en greppels. Dichtbij komen - en dat wil je voor een foto natuurlijk graag - is vaak niet mogelijk.

Maar dan, ergens aan de Vuursteenweg, zien we op afstand een weggetje vlakbij een boerderij dat ons wel eens met de neus op de bloeiende feiten zou kunnen drukken. Inderdaad bereiken we een betonnen pleintje tegen een bollenveld aan, waarschijnlijk aangelegd om met tractoren en ander landbouwmaterieel dichtbij te kunnen komen. Voor ons een maagdelijk plekje. We parkeren de auto een beetje aan het begin, veronderstellend dat we het zo voor eventuele ons voorbeeld volgende bezoekers niet bederven. Komen meteen de stoeltjes die we in de kofferbak hadden gelegd van pas. Iets te eten en te drinken, nou ja, een semi-paradijselijk plekje.

Waarschijnlijk lokt het een het ander uit, want amper zitten we of we trekken kennelijk andere bezoekers aan. De eersten parkeren hun auto een paar meter verderop, maar direct in ons blikveld. Nou ja, we zijn geen eigenaar van dit pleintje, denken we, het zij zo. Ze stappen uit, maar geven bij onze aanblik geen enkel besef prijs dat het wel eens attent zou kunnen zijn om iets verderop te gaan staan. Maar goed, stoeltjes iets opschuiven, we houden nog zicht. Meteen komt er een personenbusje dat wel pal voor onze neus gaat staan. De chauffeur stapt uit, hij knikt naar ons en wij naar hem en mijn vrouw zegt vriendelijk ‘goede middag, u parkeert wel net in ons blikveld’. Zijn reactie: ‘Ja, maar we zijn zo weg’.  

Het groepsvervoer bestaat uit oudere mensen die enorm genieten voor zover ze nog uit de bus kunnen stappen. En ach, dat is toch ook weer leuk voor hen. En voor de andere bewoners van een bejaardencomplex die aansluitend aan de vorige bus arriveren met een tweede bus, waarbij het uitstappen en genieten van de eerste groep zich herhaalt. Het ‘even’ van de optimistische chauffeur duurt inmiddels ruim twintig minuten. Maar wat is dat op een mensenleven? Dus niet kniezen, is onze gedachte, en we gaan met onze stoeltjes nog een paar meter naar links. Inmiddels voegen zich achter de beide busjes een aantal personenauto’s, waarvan de inhoud zich meteen op de akker stort. De mensen meanderen tussen de rijen tulpen voor de onontkoombare stroom selfies die gemaakt moet worden. Dat doen ze in werkelijk allerlei houdingen, sommigen vrijwel liggend.

En dan zie je wat. Dametjes met pumps, jonge meiden met hagelwitte linnen schoentjes, die tot enig leedvermaak - het zij ons vergeven - uitglijden door en in de modder en het water dat in de greppels van de voren staat. Wat een smeerboel, maar het mag de pret niet drukken. (Detail: mannen doen dit veel minder.) Natuurlijk zijn er enkele Japanners. Nog maar een keer onze stoeltjes iets opgeschoven. Alle aandacht die in de media werd besteed aan klagende bollenboeren over toeristen die hun bloemen vertrappen voor een foto is blijkbaar aan de meeste van deze mensen voorbij gegaan. Er wordt zo onbenullig door de tulpen gestruind dat je je afvraagt: waar kom je eigenlijk voor, voor de bloemenpracht, of alleen maar om de foto te kunnen appen als bewijs dat je er geweest bent?

Na een klein halfuur vertrekken de busjes weer, en kort daarna ook de meeste auto’s. Nog één man blijft (met vrouw en auto) staan, om met een indrukwekkende camera nog een serie foto’s te maken die voor een trouwrapportage niet zou misstaan. Reken maar dat die iets heeft om mee thuis te komen. Als ook die vertrekken besluiten wij, als langstzittenden op deze plek, om ook maar eens verder te gaan. ‘Wie lacht niet die de mens beziet’ zeggen we met Vader Cats maar weer eens tegen elkaar. Uit deze korte impressie mag blijken dat we erg hebben genoten.

Ton van Leijen (avanleijen@lijbrandt.nl)