Beetje bedrieglijke kop, want dit gaat niet over verliefdheid. Hoewel … Nee het gaat om indringers. In de geschiedenisles op de lagere school moesten we opdreunen ‘400 jaar na Christus: Grote volksverhuizing, begint in het oosten.’ Bizar dat dit in onze tijd niet vreemd klinkt nu zoveel volken en mensen op drift zijn. In de 2e tot 5e eeuw ging het om Hunnen, Kelten, Slavische volken, Visigoten, Ostrogoten, en vooral Germanen. Ze verdreven het west-Romeinse rijk. Maar aan dat ‘begint in het oosten’ moest ik denken toen ik nadacht over een andere volksverhuizing, namelijk die van insecten en vergelijkbare levende organismen.

Want ga maar na, in een paar maand tijd stond de berichtgeving vol over de eikenprocessierups, de buxusmot, de tijgermug, de reuzenteek, het mediterane draaigatje (ook wel Dracula-mier genoemd), de Afrikaanse fruitmot, en vanmorgen lees ik over de schorskever, die weer vanuit Duitsland ons kan gaan bedreigen. Misschien is er als deze column verschijnt al weer een volgende engerd gesignaleerd, waarbij ik dan het liefst kies voor de pannenschraper, een klein beestje dat zich tegoed doet aan het mos op onze dakpannen. Ik weet niet of dat diertje bestaat, maar het zou wel handig zijn.

Als deze beestjes naar onze maatstaf schadelijk of hinderlijk zijn gaan we ze bestrijden. Dat varieert van bespuiten of wegzuigen tot gewoon het seizoen afwachten. Er zou - dacht ik - eigenlijk één slimme methode moeten zijn; zoals in die reclame ooit van een bepaalde stofzuiger ‘hij klopt en hij veegt en hij zuigt.’ Maar sinds deze week zit ik op een andere denklijn. Dat begon met een goed artikel over wespen. Als wespen zoetigheid vinden seinen ze dat door aan soortgenoten, en dan komen er dus meer. Je kunt dan bijvoorbeeld op afstand van je terrasje wat rottend fruit neerleggen, dat leidt mooi af. Oké. Maar misschien belangrijker: hou je gewoon rustig. Als je gaat meppen maak je ze agressief.

De oplossing ligt dus niet altijd in spuitbussen e.d., maar soms in ons gedrag. En kijk: dan ineens dat onderzoek in Exeter, zuidkust Cornwall, Engeland. Mensen klaagden over het steelgedrag van zilvermeeuwen. Je zit vredig een patatje-oorlog te eten (fish-n-chips mag ook) en ineens gaat de vogel in duikvlucht en neemt een deel van je lunch weg. Wat ontdekte nu de Universiteit? Dit: als je een meeuw aanstaart gaat die uiteindelijk in de meeste gevallen zonder voedsel weer weg. En als zo’n meeuw dan toch het lef heeft iets te pikken dan gaat dat gemiddeld 21 seconden langzamer dan bij een vogel die niet wordt aangekeken. Je kunt in die paar seconden dus rustig dooreten als je het dier maar blijft aanstaren. Wel met je rug tegen de muur gaan zitten, want je hebt geen ogen in je achterhoofd, en dan zou de meeuw daar alsnog kunnen toeslaan.

Dit is toch fantastisch nieuws! Wij mensen kunnen dus door ons gedrag greep krijgen op ongewenst gedrag van dieren die ons te na komen. Staren heeft daarbij invloed als het om meeuwen gaat. Wellicht ook bij gieren, maar die zijn hier nog niet. Dus ga ik als de buien weg zijn dat ook proberen bij de wespen die nogal eens onze tuin bezoeken. Nu ik erover nadenk klopt de uitkomst van het onderzoek eigenlijk ook precies bij mijn eigen ervaring, hoewel ik me daar tot nu toe nog niet van bewust was. Ik zit namelijk buiten regelmatig in de lucht te staren; en werkelijk: zelden laat zich hier een grote zilvermeeuw zien. Misschien moet ik dat ook nog eens uittesten met een zak patat in de hand.

Ton van Leijen (avanleijen@lijbrandt.nl)