Apeldoorn is de eerste gemeente die een vuurwerkverbod wil invoeren. En daar zijn overtuigend veel goede argumenten voor. Lees maar de verhalen van chirurgen die onnodige en trieste operaties moeten uitvoeren bij mensen om beschadigde ogen te behandelen of inmiddels blind geworden jongeren op te vangen, afgerukte of zwaar verminkte ledematen moeten opereren of verwijderen. Medici en hulpverleners raken ontmoedigd, terwijl ze zelf toch ook graag thuis het feestje willen meemaken. Daarnaast de ongelooflijke klap die het milieu krijgt, de ellende die dieren ervaren, noem maar op. Dus: Apeldoorn verdient navolging.

Ik schrijf dit niet omdat ik de leuke kant van vuurwerk niet zie, integendeel. Vroeger kocht ik zelf vaak wat geknal en gefluit. Toch vond ik het een hele goede stap toen het knalvuurwerk werd verdrongen door siervuurwerk. Maar dat zet natuurlijk niet echt zoden aan de dijk. Een belangrijke vraag is wel hoe het nu zal gaan. Ik hoop dat veel gemeenten Apeldoorn gaan volgen. Het ligt gevoelig. Want er zijn in een land als het onze toch altijd volksgebruiken die we hardnekkig koesteren. Carnaval, bevrijdingsdag, elfstedentocht, oranje, allemaal verschijnselen die soms een uitlaatklep vormen die helpen de sleur te doorbreken, even uit ons sociale dak te gaan. Maar als we serieus onze kinderen en de volgende generaties een leefbare wereld willen achterlaten dan moeten we een offertje willen brengen.        

Er is wel de belangrijke vraag naar de handhaafbaarheid: hoe willen ‘we’ bereiken dat er zoveel mensen van overtuigd raken dat ze hierin zelf een verantwoordelijkheid hebben om sportief mee te werken? Is er voldoende politie beschikbaar als er ergens een groep zich niet aan het verbod houdt? Ik las dat bij het protest van de boeren in Leeuwarden er op dat moment slechts vier agenten in de hele stad waren, de opstand was niet tijdig voorzien. Nu moet je met zo’n cijfer niet op de loop gaan, en je kunt bij oud en nieuw van je wijk of dorp toch ook geen vesting maken omringd door ME. Toch zijn er op die dagen wel  veel meer beneveld ronddolende geesten dan gewoonlijk. Dus is de vraag naar handhaafbaarheid een reële vraag.

Er zullen mensen zijn die het onderwerp aangrijpen als bewijs dat je ‘zo langzamerhand in dit land niets meer mag’. Dat is een onzinnige redenering omdat de argumenten tegen vuurwerk toch wel heel sterk zijn, en er dus een stevige reden voor de overheid ligt om hier regelend op te treden. Maar er is ook nog zoiets als een onderbuikgevoel dat mensen hebben over allerlei veranderingen die ze òf niet begrijpen, òf zelf niet willen meemaken. Het maakt ze angstig, of het tast hen op de een of andere manier aan in hun hoogstindividuele beleving. Dat kan een soort stuwmeer opbouwen waarbij de dam breekt als er ineens weer iets bij komt. In feite speelde dat ook bij het boerenprotest: de maat was al vol, en toen een kamerlid begon te roepen over halvering van de veestapel was dat de bekende druppel.  

Er zal dus een balans moeten worden gevonden tussen het invoeren van een goede regel, en het uitvoerbaar maken ervan. Misschien kunnen er tussenstappen worden gemaakt in een gefaseerde terugdringing, via de weg van gewenning. Misschien kan er nog creatiever worden gewerkt aan alternatieve vreugdeuitingen. Of kunnen burgers worden uitgedaagd om voor hun eigen wijk een lijn te trekken en voor vervangende leuke dingen te zorgen. Na steeds meer gezaghebbende instanties die aan de bel trekken is er ook een groeiend aantal burgers dat gaat inzien dat het roer om moet. Met z’n allen kunnen we daarvoor zorgen. Het vraagt redelijkheid en wijsheid, en misschien ook geleidelijkheid. Maar een jaarwisseling zonder verminkingen voor het leven, onder een schone hemel waarbij je buiten gewoon kunt ademen is ook een feest.

Ton van Leijen (avanleijen@lijbrandt.nl)