Tijd doet veel. Als gebeurtenissen steeds verder in het verleden komen te liggen gaan we er anders tegenaan kijken. Omdat er nieuwe feiten boven tafel komen, maar ook omdat we zelf veranderen. We durven kritischer en objectiever te kijken. Ook naar de rol van de overheid. Denk aan onderwerpen als het slavernijverleden, de Jodenvervolging, Nederlands geweld in Indonesië. Of de gaswinning in Groningen, de toeslagenaffaire, het jarenlange leed in de jeugdzorg, de trage aanpak van de Q-koorts, de gebrekkige aandacht voor transgenders, enz. Al gauw volgt er ook een roep om excuses. Die worden soms ook daadwerkelijk gemaakt, en ik denk veel vaker dan vroeger.    

Dit onvolledige rijtje laat een verzameling zien van onvergelijkbare zaken: leed voor een brede of juist beperkte groep, tijdelijk tot permanent leed, enz. Nu er zo vaak over excuses wordt gesproken is het wel zinvol om stil te staan bij wat een echt excuus inhoudt. Voor mezelf vind ik dat echte excuses moeten voortkomen uit het besef dat je iets fout hebt gedaan, en sterker: dat je het anders zou doen als dat nog kon. Pas dan kan uit dat excuus iets voortkomen dat zin heeft voor degenen die onheus of onrechtvaardig zijn behandeld: begrip, rechtsherstel, of compensatie.

Maar zo gemakkelijk is het nog niet. In ons gewone leven blijkt dat we ons niet graag echt verexcuseren. Als je in een druk bezet gangetje in de supermarkt zegt ‘sorry, mag ik er even langs?’ dan is dat geen excuus, maar een normaal verzoek. Op Wikipedia vind je maar liefst vijftien verschillende betekenissen van het woord excuses. De meeste daarvan komen neer op jezelf vrijpleiten voor iets, een uitvlucht of smoesje, of zelfrechtvaardiging. Wie zegt ‘sorry, maar …’ bedoelt meestal ‘ik kon het niet helpen, mij treft geen verwijt’. ‘Nou zeg, neem me niet kwalijk’ is een nog sterker voorbeeld. De overheid kan tegen een slachtoffer van de Toeslagenaffaire niet volstaan met te zeggen ‘wat vervelend voor u’; het land zou te klein zijn, dus gebeurde er meer: excuses, en vooral: daden (met horten en stoten).    

Een echt excuus is krachtiger dan woorden. Ik vind dat een oprecht excuus geen strategisch doel mag hebben, zoals b.v. alleen maar de ander tevreden stellen, onrust de kop indrukken of zoiets. Bij een  oprecht excuus voel je zelf pijn doen, je betreurt het in jezelf, je hebt wellicht wroeging. En dat brengt bij de overtuiging de ander recht te willen doen, en dat vervolgens ook doet. Dat valt juist in deze tijd niet mee, want bij een pleidooi voor excuses kunnen er direct tegenstemmen komen. Zoals nu bij de discussie over excuses aan de Palestijnen omdat er te weinig aandacht voor hun beroerde positie zou zijn geweest. Voor- en tegenstanders hiervan komen met argumenten die laten zien hoe moeilijk het is een evenwichtige benadering te vinden; argumenteren is goed, maar het is wel triest dat wie enig begrip voor links of rechts toont zomaar als antisemiet of terroristenvriend wordt weggezet, dan wel als iemand die ‘de terreur van de bezetter steunt’.   

Dat brengt bij een moeilijke kant van excuses: onmacht. In verschillende soorten. Bij excuses over het slavernijverleden praat je over een tijd die jezelf niet meemaakte, maar waarvan je zelf zegt: ‘dat was absoluut fout’. Dat had ik nog sterker bij een recenter voorbeeld: de rol van de overheid bij het loslaten van Indonesië als kolonie; het boek Revolusie van David van Reijbrouck dat ik al eerder noemde las ik soms met plaatsvervangende schaamte. Maar altijd is er die knagende vraag: zou ik in die tijd, met die denkbeelden van toen (en de beperkte kennis) ook niet de koers van de regering gewoon hebben ondersteund?

Onmacht: we willen het goede voor alle mensen, we hebben zelf geen macht om dat te bereiken, hebben soms te weinig inzicht in de echte feiten en krachten die spelen. Tegelijk is dat geen reden om te zwijgen, of het niet te benoemen als er in je eigen bescheiden rol meer gedaan had kunnen worden. Maar zo’n onmachtig gevoel kan toch een prikkel zijn om solidair te blijven, en je er niet te gemakkelijk af te maken. Een oprecht excuus kan van grootheid getuigen, of als balsem op de wond voelen.  

Ton van Leijen (avanleijen@lijbrandt.nl)