Gelukkig, er kan versoepeld worden, en dat gaat hard. Alsof er een elastiek is geknapt stromen de terrassen vol. Heerlijk dat het weer kan. Het Terras (hoofdletters) heeft in onze beleving toch wel iets van de ultieme vrijheid. Een beetje merkwaardig natuurlijk, want eigenlijk kun je alles wat je er doet ook thuis doen. Eén verschil: bij het luxe niksdoen achter een glas of snack kun je er Mensen Kijken. Zoals bij aapjes kun je ook hier de vraag stellen: wie kijkt naar wie? En wat zien we dan? Of dieper: waarom kijken we zo graag naar elkaar?

Situaties verschillen, maar ik heb de indruk dat de terraszitters meer naar de voorbijgangers kijken dan andersom. Het is veilig, je zit stil en kijkt naar anderen die dat niet doen, want die zijn op weg, slenteren langs of reppen zich naar voor jou onbekende bestemmingen. Een enkeling kijkt wel even nieuwsgierig ‘wie of wat daar nou achter die cappuccino zit’ of wie met wie kletst. Dit positieverschil wordt nog versterkt doordat steeds meer terrassen hun fauteuils of banken, pardon: lounge-sets, in linie zetten en richten naar de wereld buiten het terras. Wil je geen stijve nek krijgen moet je dus wel passanten observeren.

Wat zie je zoal? Nou in ons geval maakten we een echt pensionadoterras mee, langs een route waar veel werd gefietst, maar ook eentje in een stad, waarbij vooral jeugdigen hun al dan niet zuur verdiende bijbaantjescenten of studiebeursgerelateerde inkomsten verruilden voor prosecco, tortilla’s, nacho’s, burrito’s en meer gerechten die qua inhoud en benaming de Nederlandse menukaart aanvullen of overvleugelen. Heerlijk voor onze jonge mensen, je gunt het ze van harte, en hoopt vurig dat ze zich zelf ook goed realiseren wat een voorrecht het is.

Verder: gevulde en magere mensen, stralende en tobberige gezichten, uiterst modieus of juist shabby gekleden, outfit waar je het prijskaartje aan afleest tegenover derdehands, ‘have’s’ en ‘have-nots’. Een jongen, zichtbaar blij met z’n nieuwe trainingspak neemt op de koop toe dat het er te warm voor is. Een vrouw die niet weet dat haar onderjurk van achteren onder de rok uitkomt. De een straalt uit ‘ik weet dat ik er goed uitzie’, de ander oogt armoedig, of lijkt gebukt door het leven te gaan. Sportieve lopers passeren moeizame sjokkers. Koppels die al jaren getrouwd zijn en weinig woorden wisselen, en oudere duo’s die zo opgetogen communiceren dat het ongetwijfeld om een nieuwe relatie gaat.

Dan die vraag: waarom kijken we zo graag naar elkaar? Vermaak? (‘Wie lacht niet die de mens beziet’, zei ooit Cats, Vondel of Bredero). Is het onzekerheid over wat ‘men zoal draagt’ omdat we zelf moeilijk kunnen kiezen? Wil je constateren dat je eigenlijk best tevreden mag zijn met je eigen figuur, of juist niet? Willen we uitstralen dat het goed met ons gaat, dat we aan de goede kant van de maatschappelijke scheidslijnen verkeren? Hopen we nieuwe mensen te ontmoeten, interessante gesprekken te kunnen voeren? Willen we nieuwe gerechten uitproberen?

Misschien weten we het antwoord niet, omdat we kijken zonder vragen aan onszelf, observeren zonder pretenties, doen wat zovelen doen, of simpelweg verstand op nul en ongecompliceerd genieten. Alles is mogelijk, want de een is de ander niet. Gelukkig, we zijn uniek. Passanten kunnen je op ideeën brengen, maar ook een spiegel voorhouden die je laat beseffen hoe tevreden je zou willen zijn, of misschien ook al bent.

Ton van Leijen (avanleijen@lijbrandt.nl)