Pas overkwam het me weer. Als eerste bezoeker in een wachtkamer nam ik plaats in het verste hoekje. Kort daarna arriveerde een man die niet naar me keek, zover mogelijk van me af ging zitten en vervolgens intensief zijn mobiel ging bestuderen. Even daarna een tweede man, zocht ook geen oogcontact, ging bij de leestafel zitten en pakte eveneens zijn mobieltje. De derde bezoeker verscheen; ze groette me vriendelijk met een hoofdknik (de anderen keken niet op) en ik beantwoordde die; nu geen mobieltje; ze ging zitten om te doen  waar wachtkamers voor bedoeld zijn. Een vierde arriveerde, omdat de kamer vol begon te raken moest deze tegenover me zitten. Ook hij keek geen moment naar mij of de anderen en pakte zijn telefoon. Oei, dacht ik, zijn we bang voor elkaar geworden?

Eerder schreef ik over anonimiteit, over het verdwijnen van wat toch normaal menselijk contact mag heten, en de bizarre gevolgen daarvan. De afstand tussen mensen in het normale verkeer wordt steeds groter. Heel vaak spelen daarbij technische middelen en overwegingen van efficiency een rol. Loketten, mensen achter een balie verdwijnen, toegang tot voorzieningen als stations, theaters, horeca en banken wordt steeds meer technisch geregeld. Pasjes, apps, scans, robots komen in de plaats van normaal menselijk contact. Dit alles nog versterkt door de coronaperiode waarin de ontmoetingen die er nog zijn vaak on line plaatsvinden.  

Een artikel hierover had de veelzeggende kop ‘Stop de ontmenselijking’ *). En het is waar: afstandelijke, anonieme manieren van communiceren hebben effect op ons gedrag en onze normen. Iedereen kent wel het beeld van de stromen mensen op perrons of waar dan ook die voortbewegen al kijkend op de schermpjes in de hand. En het pakketje dat mij gisteren werd bezorgd stond bij de voordeur, terwijl de bezorgster al weer vanuit de auto haar hand naar me opstak. Snelheid en efficiency zijn prima dingen. Maar raken onze menselijke verhoudingen niet uit balans? Ik ken jongeren die er tegenop zien iemand te bellen. Is het gêne, onzekerheid zich een houding te geven, zoals in de wachtkamerervaring waarmee ik begon? Of worden we sluipend bang voor elkaar? Ligt hier een stimulans voor complotdenken?  

In het genoemde artikel werd bepleit de publieke ruimte te vermenselijken. Al heel lang geleden leerde ik dat je een gevoelig onderwerp beter niet per telefoon met iemand moet bespreken, dat is veel afstandelijker dan een gesprek vis-à-vis. Een apparaat kan je zelfs verleiden eens ‘lekker van je af te praten’ op een manier die je niet zou hanteren als je samen bij een kop koffie zat. Nog zo’n verschijnsel met een grote nadelige keerzijde: de korte tekstberichtjes waaruit elke vorm van de persoonlijke ontmoeting is verdwenen. Ik steun dus graag het pleidooi dat ik ergens las om ook in onze korte berichtjes tijd te nemen om elkaar te begroeten, of onze (hopenlijk goede) relatie te benoemen.

Ik kan dus best leven met een berichtje als “Beste Ton, ik waardeer het dat je me op dit risico wilt wijzen, maar ben het verder helemaal niet met je eens.” (Liefst met wat verpletterende argumenten erbij natuurlijk.) Hieronymus van Alphen (1746-1803) zei ooit: “Hij is mijn vriend die mij mijn feilen toont.” Ik wacht af.

Ton van Leijen (avanleijen@lijbrandt.nl)   

*) René Koekkoek, historicus en publicist, verbonden aan de Universiteit van Utrecht, deze maand in het ND.